Advies 568: Onvoldoende motivering voor gunning op laagste prijs

(20 maart 2020)
Publicatiedatum: 
vrijdag, 10 april 2020

Advies 568 | Samenvatting

De klacht ziet op een Europese openbare aanbestedingsprocedure voor een raamovereenkomst voor diensten voor terbeschikkingstelling van flexibele arbeidskrachten met één opdrachtnemer voor uitzenden (perceel 1) en met één opdrachtnemer voor payrolldienstverlening (perceel 2). De aanbesteder is zowel penvoerder als één van de deelnemende aanbestedende diensten in deze aanbestedingsprocedure.

Klachtonderdeel 1

In het eerste klachtonderdeel wordt geklaagd dat de aanbesteder in strijd handelt met artikel 2.114 Aw 2012 door niet het gunningscriterium beste prijs-kwaliteitverhouding te hanteren en de keuze voor het gunningscriterium laagste prijs niet deugdelijk te motiveren.

De Commissie stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de aanbesteder is afgeweken van de hoofdregel van art. 2.114, lid 3, Aw 2012 de opdracht te gunnen op basis van het gunningscriterium beste prijs-kwaliteitverhouding en dat hij de toepassing van het criterium van de laagste prijs heeft gemotiveerd. Wat tussen partijen ter discussie staat, is of die motivering het toepassen van het criterium van de laagste prijs voldoende kan dragen.

Een aanbestedende dienst zal in afwijking van de hoofdregel van art. 2.114, lid 3, Aw 2012 voor toepassing van het criterium van de laagste prijs mogen kiezen wanneer de keuze voor toepassing van het criterium beste prijs-kwaliteitverhouding ondoelmatig is. Die keuze zal ondoelmatig mogen worden geacht wanneer het in de gegeven omstandigheden van het geval redelijkerwijs niet te verwachten valt dat daarmee een zodanige ruimte voor marktpartijen zal worden gecreëerd dat zij zich voldoende uitgedaagd zullen mogen voelen om innovatieve en duurzame oplossingen aan te bieden.

Naar het oordeel van de Commissie blijkt onvoldoende uit de motivering van de aanbesteder dat toepassing van het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding ondoelmatig zou zijn.

Dat er onvoldoende onderscheidend vermogen tussen de aanbieders zou zijn in het licht van de gestelde eisen in de Programma’s van Eisen heeft de aanbesteder niet aannemelijk gemaakt. De gestelde eisen lijken juist veel ruimte te geven voor de wijze waarop daaraan invulling kan worden gegeven. De ondernemer heeft ook diverse voorbeelden genoemd van kwaliteitsaspecten waarop de aanbieders zich zouden kunnen onderscheiden. In dat licht heeft de aanbesteder de argumenten van de ondernemer dat er voldoende onderscheidend vermogen is tussen de aanbieders onvoldoende weersproken.

Het argument dat de aanbesteder in het kader van het prijscriterium reeds rekening heeft gehouden met kwaliteitsaspecten overtuigt de Commissie niet. Over het algemeen zullen kwaliteitsaspecten tijd en geld kosten en daarmee leiden tot een hogere prijs.

De Commissie heeft onderzocht en vastgesteld dat in minder dan 5% van de aanbestedingen in Nederland met CPV-code 79620000 (diensten voor de terbeschikkingstelling van personeel, met inbegrip van tijdelijk personeel) die tussen 31 december 2018 en 1 januari 2020 op TED zijn gepubliceerd het gunningscriterium van de laagste prijs is gehanteerd. In veruit de meeste gevallen wordt voor dit soort dienstverlening dus gegund op basis van het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Dat het niet goed mogelijk is om in dit soort aanbestedingen kwalitatieve gunningscriteria te hanteren, acht de Commissie dan ook niet aannemelijk.

Met het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding zouden sociale duurzaamheidsaspecten (duurzame inzetbaarheid van het personeel) en innovatie een rol kunnen krijgen in de onderhavige aanbestedingsprocedure.

Naar het oordeel van de Commissie kan de door de aanbesteder gegeven motivering de toepassing van het gunningscriterium van de laagste prijs op grond van artikel 2.114, lid 4, Aw 2012 dan ook onvoldoende dragen en is klachtonderdeel 1 gegrond.

Klachtonderdeel 2

De klacht dat de aanbesteder met deze aanbestedingsprocedure niet zoveel mogelijk maatschappelijke waarde voor de publieke middelen in de zin van artikel 1.4, lid 2, Aw 2012 realiseert, slaagt naar het oordeel van de Commissie eveneens. De ondernemer heeft de klacht naar het oordeel van de Commissie voldoende onderbouwd, terwijl de aanbesteder van zijn kant onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij niet aan zijn zorgplicht van artikel 1.4, lid 2, Aw 2012 heeft voldaan. Daarmee kan niet worden aangenomen dat de aanbesteder met deze aanbestedingsprocedure zoveel mogelijk maatschappelijke waarde voor de publieke middelen realiseert in die zin dat de best mogelijke prijs-kwaliteitverhouding wordt gerealiseerd voor het beschikbare budget.

Daarmee is overigens niet gezegd dat een aanbestedende dienst in alle gevallen het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding zou moeten hanteren. In bepaalde gevallen zal immers verwacht mogen worden dat een aanbestedingsprocedure met het gunningscriterium van de laagste prijs juist de meeste maatschappelijke waarde voor de publieke middelen oplevert.