Advies 547: Klacht over beoordeling inschrijving ongegrond

(15 mei 2020)
Publicatiedatum: 
dinsdag, 26 mei 2020

Advies 547 | Samenvatting

De klacht ziet op een nationale openbare procedure voor een raamovereenkomst met meerdere ondernemers voor de levering van diensten voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van startende en gevestigde zelfstandigen. De ondernemer klaagt dat de aanbesteder fouten heeft gemaakt bij de kwalitatieve beoordeling van zijn inschrijving. Hij bestrijdt de beoordeling van zijn inschrijving voor drie subgunningscriteria.

De ondernemer heeft schriftelijk vele concrete kritiekpunten bij de aanbesteder aangevoerd naar aanleiding van de mededeling van de gunningsbeslissing. Om te beginnen merkt de Commissie op dat de schriftelijke reactie van de aanbesteder daarop mager was. Het was beter geweest wanneer aanbesteder eerder een concrete schriftelijke reactie had gegeven.

Vervolgens gaat de Commissie in op de beoordeling van de inschrijving voor het eerste subgunningscriterium. De Commissie heeft het door de ondernemer in dat kader ingediende adviesrapport bestudeerd. De Commissie constateert dat de ondernemer, anders dan de aanbesteder stelt, in zijn adviesrapport wel degelijk op een bepaald onderwerp is ingegaan. Toch komt de Commissie op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd tot het oordeel dat de resterende motivering van de gunningsbeslissing deze beslissing kan dragen. De Commissie constateert dat de door de aanbesteder benoemde elementen inderdaad verspreid in het adviesrapport van de ondernemer zijn terug te vinden, maar acht het oordeel van de aanbesteder niet onbegrijpelijk dat hij de uitwerking van deze elementen in het kader van het toetsingskader als onvoldoende heeft aangemerkt. Dat aanbesteder het adviesrapport van ondernemer in het kader van de uitvoering van een eerdere opdracht in ontvangst heeft genomen en heeft gebruikt voor de beoordeling of een bijdrage op basis van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen kon worden toegekend, brengt geen verandering in dit oordeel.

Wat betreft de beoordeling van de inschrijving voor het tweede subgunningscriterium acht de Commissie niet onbegrijpelijk dat een bepaalde stelling in de inschrijving van de ondernemer vragen opriep bij de aanbesteder. Hetgeen de ondernemer in dit kader heeft aangevoerd acht de Commissie onvoldoende om aan de beoordeling door de aanbesteder te twijfelen.

Op basis van hetgeen de ondernemer heeft aangevoerd, kan de Commissie ten slotte niet tot het oordeel komen dat de aanbesteder zijn inschrijving voor het derde subgunningscriterium ten onrechte als goed heeft aangemerkt en dat de aanbesteder de inschrijving van de ondernemer als uitstekend had moeten beoordelen.

Daarmee acht de Commissie de gehele klacht ongegrond.

Ten overvloede merkt de Commissie nog op dat het haar opvalt dat de aanbesteder in de motivering van de gunningsbeslissing niet is ingegaan op de kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijvers. Nu de klacht van de ondernemer daar niet op is gericht, gaat de Commissie hier verder niet op in.