Advies 537: Inschrijving terecht ongeldig omdat te laat over eis is geklaagd

(31 juli 2020)
Publicatiedatum: 
woensdag, 9 september 2020

De klacht ziet op een meervoudig onderhandse procedure voor een overheidsopdracht voor werken voor de renovatie van voetbalvelden. In het bestek is onder andere bepaald dat een inschrijver op het moment van inschrijving, in combinatie met de door hem aangeboden kunstgrasmat, zelf op de zogenoemde sportvloerenlijst vermeld dient te staan.

De ondernemer schrijft in met een ander type kunstgrasmat dan het type waarmee hij op de sportvloerenlijst vermeld staat. De aanbestedende dienst legt de inschrijving van de ondernemer om die reden als ongeldig terzijde.

De ondernemer klaagt dat zijn inschrijving ten onrechte als ongeldig terzijde is gelegd, aangezien de door hem aangeboden kunstgrasmat aantoonbaar gelijkwaardig is aan de kunstgrasmat waarmee hij op de sportvloerenlijst vermeld staat.

De Commissie oordeelt dat de klacht ongegrond is, nu in het bestek immers duidelijk is bepaald dat een inschrijver met de door hem aangeboden kunstgrasmat op de sportvloerenlijst vermeld moet staan. Aangezien de inschrijving van de ondernemer niet aan deze eis voldoet, heeft de aanbesteder deze terecht als ongeldig terzijde gelegd. Ook in het eventuele geval dat de door de ondernemer aangeboden kunstgrasmat technisch gelijkwaardig is aan een kunstgrasmat die wel aan de hiervoor genoemde eis voldoet, doet dat naar het oordeel van de Commissie aan het voorgaande niet af. De ondernemer had tijdens de inlichtingenronde moeten vragen of inschrijven met een technisch gelijkwaardige kunstgrasmat toegestaan zou worden. Nu hij dit kennelijk heeft nagelaten, kan hij na inschrijving geen beroep meer doen op deze mogelijkheid.

De ondernemer klaagt er verder nog over dat de in de aanbestedingsleidraad in het kader van de mededeling van de gunningsbeslissing voorziene vervaltermijn van 7 kalenderdagen te kort is.

De Commissie oordeelt dat ook deze klacht ongegrond is, nu de ondernemer met het indienen van zijn inschrijving immers met deze vervaltermijn heeft ingestemd. Hij kan dan na het indienen van zijn inschrijving geen bezwaar meer maken tegen de lengte van die termijn.

De Commissie overweegt ten overvloede – voortbouwend op haar eerdere Advies 147 – dat een vervaltermijn van 7 kalenderdagen in het geval van een meervoudig onderhandse procedure in beginsel een voldoende effectieve rechtsbescherming aan de inschrijvers biedt, maar dat de specifieke omstandigheden van het geval tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven.

De Commissie overweegt verder ten overvloede dat wanneer een aanbestedende dienst in het kader van een meervoudig onderhandse procedure een vervaltermijn van 7 kalenderdagen in de aanbestedingsstukken bepaalt, hij tevens dient te bepalen dat op die termijn ook de Algemene Termijnenwet van toepassing is.