Advies 439: Overschrijdt beklaagde haar wettelijke taakstelling met de aanbestedingsprocedure?

(28 november 2017)
Publicatiedatum: 
vrijdag, 19 januari 2018

Europese openbare procedure voor een raamovereenkomst voor diensten betreffende het vervoer van stoffelijke overschotten. De opdracht is verdeeld in 23 percelen, waaronder één perceel de meldkamer betreft.  Er zijn twee klachtonderdelen:
1. Beklaagde overschrijdt bij het in de markt zetten van onderhavige opdracht haar wettelijke taakstelling op het gebied van het vervoer van stoffelijke overschotten. In dit kader stelt beklaagde disproportionele eisen. Beklaagde handelt ook in strijd met het beginsel van gelijke behandeling door slechts bij gemeente F rekening te houden met de lokale afspraken die de gemeente heeft gemaakt met de (plaatselijke) vervoerders.
2. Beklaagde legt een disproportioneel incassorisico neer bij de vervoerders van de stoffelijke overschotten.

Op grond van artikel 7 lid 1 sub a van het Reglement van de Commissie kan een klacht bij de Commissie worden ingediend door ondernemers die een opdracht willen verwerven. Deze bepaling noemt als voorbeelden (potentiële) gegadigden, (potentiële) inschrijvers en ook onderaannemers van (potentiële) inschrijvers. De Commissie is van oordeel dat deze bepaling ruim moet worden uitgelegd in die zin dat niet alleen onderaannemers maar alle ‘onderopdrachtnemers’ van (potentiële) gegadigden of inschrijvers een klacht mogen indienen bij de Commissie (zie Advies 368, overwegingen 5.3 en 5.4). Nu klager een opdrachtnemer is van een inschrijver neemt de Commissie de klacht dan ook in behandeling.

De Commissie stelt voorop dat zij slechts bevoegd is te oordelen over handelen of nalaten van beklaagde dat binnen de werkingssfeer van de Aanbestedingswet 2012 valt (artikel 1 sub c Reglement Commissie). Klager stelt met klachtonderdeel 1 allereerst dat beklaagde in het kader van de onderhavige aanbestedingsprocedure disproportionele eisen stelt. Klager onderbouwt dat in de kern slechts met de stelling dat beklaagde bij het in de markt zetten van de onderhavige opdracht haar wettelijke taakstelling op het gebied van het vervoer van stoffelijke overschotten ruimschoots te buiten gaat. Nog daargelaten dat de Commissie gelet op het bepaalde in artikel 1 sub c Reglement niet bevoegd is om te beoordelen of beklaagde buiten haar wettelijke taken treedt, kan zij op basis van het door klager gestelde ook overigens niet tot het oordeel komen dat de eisen in de aanbestedingsprocedure disproportioneel zijn.

Voor zover in klachtonderdeel 1 ten slotte wordt geklaagd over strijd met het beginsel van gelijke behandeling treft de klacht evenmin doel. Klager stelt dat beklaagde bij het ene perceel wel rekening houdt met lokale afspraken en bij de andere percelen niet. Er zou dus sprake zijn van ongelijkheid tussen inschrijvers op het ene perceel en inschrijvers op de andere percelen. Uit het beginsel van gelijke behandeling volgt echter niet dat de voorwaarden in alle percelen gelijk moeten zijn. Per perceel worden de inschrijvers gelijk behandeld en dat maakt naar het oordeel van de Commissie dat van strijd met het beginsel van gelijke behandeling geen sprake is.

Het eerste klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard.

In paragraaf 2.2.2 (“Financiële afhandeling van Aanvragen”) eis E-MK-12 (“Inning betalingen (totaal-)facturen door betalingsplichtigen”) van de Aanbestedingsleidraad dat zich richt op perceel 1 betreffende de meldkamer is, onder meer, het volgende bepaald:
‘De Opdrachtnemer is verantwoordelijk voor het innen van alle kosten die voortvloeien uit VSO. Dat betekent dat hij:
(…)
- Indien een betalingsplichtige ook dan in gebreke blijft; betaalt [Beklaagde] de factuur voorlopig, zodat het Mortuarium, de Vervoerder en de meldkamer hun kosten vergoed krijgen. Echter, de Opdrachtnemer zorgt ervoor dat de kosten alsnog bij de betalingsplichtige worden geïncasseerd, Zodra de factuur door de betalingsplichtige is betaald, betaalt de Opdrachtnemer [Beklaagde].’
Vervolgens heeft beklaagde in het antwoord op vraag 12 in de eerste Nota van Inlichtingen, onder meer, bepaald:
‘Indien [Beklaagde] de kosten van de Vervoerder niet kan declareren bij een gemeente of nabestaanden, betaalt [Beklaagde] de Vervoerder.’
De Commissie leidt dan ook uit de aanbestedingsstukken af dat beklaagde geen – en dus ook niet een disproportioneel – incassorisico bij de vervoerders neerlegt.

Daarmee acht de Commissie ook klachtonderdeel 2 ongegrond.