Advies 421: Advocatendiensten mogen meervoudig onderhands op laagste prijs gegund worden met één uurtarief als criterium.

( 28 juli 2017)
Publicatiedatum: 
vrijdag, 13 oktober 2017

Meervoudig onderhandse procedure voor een raamovereenkomst met één onderneming voor het leveren van juridische dienstverlening. Het gunningscriterium van de laagste prijs is van toepassing verklaard, waarbij om één uniform uurtarief wordt gevraagd. De klacht is tweeledig:
1. Het uurtarief bepaalt slechts ten dele de prijs aangezien het mogelijk is dat een kantoor met een hoger uurtarief efficiënter werkt en de facto een lagere prijs in rekening brengt;
2. De motivering van de keuze voor de laagste prijs als gunningscriterium is ondeugdelijk.

De Commissie overweegt dat bij een meervoudig onderhandse procedure het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel van toepassing zijn.

De Commissie kan klager niet volgen in haar stelling dat het risico van willekeur zich voordoet. Dat het uurtarief – zoals klager stelt – de prijs van de te leveren diensten slechts zeer gedeeltelijk bepaalt, zou op zich aanleiding kunnen geven tot het stellen van de vraag of beklaagden met dat criterium niet in zoverre een “willekeurig” criterium hebben gekozen dat het nog maar de vraag is of zij er daarmee in zullen slagen diensten in te kopen die een zo groot mogelijke waarde vertegenwoordigen in relatie tot de prijs die zij uiteindelijk voor die diensten moeten betalen. Maar daarmee is nog niet gezegd dat beklaagden met de keuze voor het uurtarief als gunningscriterium hebben gehandeld in strijd met hun verplichtingen tot gelijke behandeling en transparantie, in die zin dat zij daardoor het risico in het leven zouden hebben geroepen dat toepassing van dat criterium zal leiden tot een willekeurige behandeling van de inschrijvers.

Het eerste klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard.

Klager betoogt met het tweede klachtonderdeel dat beklaagden op grond van artikel 1.16 Aw 2012, gelezen in verband met het bepaalde op pagina 53-54 van de Gids Proportionaliteit, verplicht zouden zijn om de raamovereenkomst in beginsel te gunnen op basis van het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding. De Commissie begrijpt dit betoog allereerst aldus dat aan artikel 2.114 Aw 2012 reflexwerking zou toekomen in de context van een meervoudig onderhandse procedure en dat die reflexwerking zou kunnen worden gebaseerd op de toelichting op pagina 53-54 van de Gids Proportionaliteit.

De Commissie kan klager daarin niet volgen. De door klager bedoelde passage in de Gids Proportionaliteit slaat duidelijk terug op de eerder in de Gids op pagina 52-53 geciteerde artikelen 2.113 t/m 2.115 Aw 2012, die in het onderhavige geval niet van toepassing zijn.

Voorzover klager met het klachtonderdeel betoogt dat de hiervoor genoemde verplichting op beklaagden zou rusten op grond van artikel 1.16, eerste en tweede lid, Aw 2012, kan de Commissie haar daarin evenmin volgen. Aan klager moet worden toegegeven dat – anders dan beklaagden in hun reactie op het klachtonderdeel betogen – niet valt in te zien waarom de in die bepalingen opgenomen verplichting van een aanbestedende dienst om uitsluitend eisen, voorwaarden en criteria aan de inschrijvers en de inschrijvingen te stellen die in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht, zich niet mede zou uitstrekken tot de gunningscriteria. Artikel 1.16, tweede lid, Aw 2012 bevat immers geen limitatieve opsomming, terwijl artikel 1.16, eerste lid, ook overigens melding maakt van “criteria”. Maar het voorgaande laat onverlet dat de verplichting van een aanbestedende dienst tot het hanteren van gunningscriteria, die in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht, zich niet laat concretiseren in een verplichting om in het kader van een meervoudig onderhandse procedure een overheidsopdracht of raamovereenkomst in beginsel te gunnen op basis van het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding.

Derhalve wordt ook het tweede klachtonderdeel ongegrond verklaard.