Advies 399: Intrekking aanbesteding niet tijdig gemotiveerd. Wel een gegronde reden daarvoor (tardief) gegeven.

(24 februari 2017)
Publicatiedatum: 
vrijdag, 13 oktober 2017

Europese openbare aanbestedingsprocedure voor drie raamovereenkomsten voor aftransport, acceptatie en verwerking van diverse afvalstromen van milieuparken van beklaagden X, Y en Z. Klager heeft ingeschreven op perceel 8, waar de opdracht voorlopig gegund is aan de Combinatie A en B. Tegen dit gunningsvoornemen heeft klager een kort geding aanhangig gemaakt. Nog voor de zitting heeft beklaagde aan klager zonder motivering meegedeeld de gunningsbeslissing in te trekken en een nieuwe aanbesteding voor perceel 8 te zullen organiseren.

Klager heeft hierop het kort geding ingetrokken, heeft aan beklaagde inlichtingen gevraagd en geklaagd over de gang van zaken. Daarop heeft beklaagde onder meer meegedeeld dat de inschrijving van klager ongeldig is.

De Commissie overweegt dat het Europese Hof van Justitie op 11 december 2014 in de zaak Croce Amica geoordeeld heeft dat een aanbestedende dienst op basis van artikel 41, lid 1, Richtlijn 2004/18/EG (de voorloper van artikel 55 Richtlijn 2014/24/EU) verplicht is de inschrijvers ten spoedigste in kennis te stellen van een besluit tot intrekking met opgave van de redenen ervoor (ECLI:EU:C:2014:2435, zaak C-440/13, r.o. 29 en 30).

Beklaagde heeft in strijd met deze verplichtingen gehandeld door na de mededeling van de intrekking van de aanbestedingsprocedure op 11 november 2016 en het verzoek van klager van 17 november 2016 de redenen van de intrekking van de aanbestedingsporcedure pas op 22 december 2016 aan klager mee te delen.

Daarmee is het eerste klachtonderdeel gegrond.

Beklaagde heeft in haar brief aan klager aangegeven dat controle van de ontvangen inschrijvingen met betrekking tot eis EGTF-1.8 haar heeft laten zien dat geen van de inschrijvers aan die eis kon voldoen. Deze stelling is door klager verder niet bestreden. Het voorgaande betekent dat de Commissie er veronderstellenderwijs van uitgaat dat de enige andere inschrijving eveneens ongeldig was omdat deze evenmin aan eis EGTF-1.8 voldeed.

In de veronderstelling dat alle inschrijvingen ongeldig waren, had beklaagde naar het oordeel van de Commissie goede grond om de aanbestedingsprocedure in te trekken.

Het tweede klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard.